Pools kerstkonvooi

Het is 1986 wanneer Frans Deprins in Czestochowa per vergissing aanklopt bij de zusters Josefieten. De Mechelaar is in het Poolse bedevaartsoord op zoek naar een andere zuster, maar botst in het ‘Specialny Osrodek Wychowawczy’, een meisjestehuis, op schrijnende taferelen. Samen met onder ander Karel Meuleman beslist Deprins zich in te zetten voor de nonnen en – vooral – hun meisjes. Nu, 25 jaar later, rijden de geboren Mechelaars nog steeds met hulpkonvooien over en weer.

Maandag, 18u06 – Aankomst

Met de armen wijd wacht zuster Antonina ons – Frans Deprins (65), Karel Meuleman (62) en wijzelf – op aan de voordeur van de instelling. Amper een kwartier eerder heeft Frans de nonnen per gsm op de hoogte gebracht dat we zo goed als ter plaatse zijn. “Ze wilden weten hoe laat ze de soep moesten opzetten”, glimlacht Frans.

Zo’n twaalf uur eerder zijn we in Weerde (Zemst) vertrokken. Onderweg: spontaan opgerakelde verhalen, over vroeger. Zoals aan de voormalige Oost-Duitse grens, bijvoorbeeld. “Nu is dat allemaal evident, naar Polen rijden. Maar ooit was het anders – in het begin stond de muur hier nog, hè. Een heel gedoe was dat, met paperassen en controles aan de grens. De Oost-Duitsers, die waren streng maar wel correct. De Poolse douaniers daarentegen… Er zijn reizen geweest dat we soms één tot twee dagen verloren aan de grens, één keer hebben we er zelfs 56 uur gestaan.”

Anno 2011 moet je geen douaniers meer omkopen om Polen binnen te geraken. Jean Van Muylders (60), Jos Coenen (51), Roger Rams (71) en Mieke Sieben (65) – de bestuurders van de vracht- en bestelwagen – hebben amper tijd verloren aan de grenspost. De vier vrijwilligers zijn om middernacht vertrokken en één uur voor ons ter plaatse in Czestochowa. U telt het goed: dat is een rit van zeventien uur.

Dinsdag, 09u35 – Konvooi lossen

Czestochowa oogt rauw, ruikt ongezond. Op het grijze asfalt naast de instelling gaan de achterdeur en laadklep van de – letterlijk – volgepropte bestelwagen en vrachtwagen open. Naast de Vlaamse vrijwilligers staan er zeven nonnen en twee plaatselijke klusjesmannen klaar om alles uit te laden. Er zijn ook enkele vrouwen op post die ooit zelf in de instelling zaten: ze hebben hun eigen leven nu, maar zijn naar het tehuis afgezakt om de Belgowie nog eens te zien. En te helpen.

Toen we Frans en Karel in de wagen hoorden vertellen over de nonnen, beeldden wij ons waggelende vrouwtjes in, met bolle kaken, wandelstok en wereldvreemde attitude. We ontmoeten energieke dames, die zich aan de laadklep optrekken en in kartonnen dozen verstoppen, van paletten springen en zakken bloem van 25 kilogram verplaatsen. Het klassieke habijt is om hun schouders gedrapeerd, het houten Christusbeeld bungelt op hun middenrif, de zilveren ring demonstreert hun trouw aan God – maar ze cultiveren een goedlachsheid en savoir vivre waar menig zogezegd up-to-date Belg nederig het hoofd mag voor buigen.

De zusters wijzen de weg: de cadeautjes, geneesmiddelen, voedingsproducten en kleren gaan richting verschillende opslagplaatsjes. Terwijl zuster Sylwia een dansje placeert met één van de meisjes, monstert Jean de acht meter lange laadruimte. “Daar zijn we even mee bezig geweest. Alles hebben we eigenhandig verzameld, ingepakt en ingeladen”, zegt de Mechelaar, ondertussen 21 jaar de vaste chauffeur. “Nu ziet het tehuis er redelijk uit, maar de eerste keer dat we hier geweest zijn – jongen, dat had je moeten zien: écht zielig. Onze kindjes in België, die beseffen niet hoe goed ze het hebben.”

Omstreeks 12.50u worden de laatste spullen, waaronder een stevige kast, uitgeladen. Terwijl achteraan een man of twee nodig is om het houten gevaarte op te heffen, licht Roger het zware meubel vooraan op zijn eentje op. “Dat was even een fysieke inspanning”, blaast de Lierenaar. Hij is 71.

Dinsdag, 16u00 – Misviering

Om 16u worden we in het kapelletje van de instelling, een klein lokaaltje met kerkstoelen en christusbeelden, verwacht. In de voormiddag hebben we al een vijftal meisjes ontmoet, nu zijn er 120 oogjes op ons gericht wanneer we het zaaltje binnenschrijden. Oogjes met een smile onder, that is: “de Belgen zijn er!” Eén van de nonnetjes speelt gitaar, de kinderen zingen, de plaatselijke pastoor dankt ons met wat Franse slagzinnen.

Na de misviering staan in het smalle gangetje tussen de kamers van de zusters en de kapel 60 meisjes, twaalf nonnen en acht Belgen, en iedereen krijgt een hostie in A5-formaat toegestopt. Bedoeling is dat we één voor één een stuk van elkaars hostie breken en iedereen met drie wangzoentjes een allerbest kersfeest wensen. Sommige meisjes kijken schuchter toe, anderen vliegen ons hevig smakkend en druk palaverend rond de nek – behalve Frans en Karel verstaat niemand een jota Pools, maar de boodschap is duidelijk.

Eens de hosties aan flarden, gaat het richting eetzaal – een reftertje dat met de grootste moeite 70 mensen aankan – voor een Poolse kerstmaaltijd: rode bietensoep als voorgerecht, karper, pierogi en zuurkool als hoofdmaaltijd. We komen één en ander te weten over Jos (51) en Jean (60), de olijke vrachtwagenchauffeurs: terwijl de één al in Pakistan heeft gezeten met B-Fast, heeft de ander ooit een vakbond helpen oprichten in Polen. “Ik werk bij de CM, vandaar”, licht Jean toe. “Vrijdag ga ik wel met pensioen.”

Jean is de laatste van de zes vrijwilligers die oficieel op rust ging, Jos de jongste. “Op mijn 30ste al”, zegt de Limburger, een gewezen kompel, die bij de sluiting van de mijnen op pensioen gezet werd. “En na mijn pensioen heb ik me ingezet voor tal van vrijwilligersorganisaties.” De man uit Lommel – groot karuur, klein hart – studeert thans zelfs verpleegkunde voor B-Fast.

Dinsdag, 18u33 – Kerstfeest

Hoewel de vrijwilligers van de Stichting Frans Deprins ook tijdens het jaar met volgeladen vrachtwagens naar Czestochowa tuffen, is het kerstkonvooi nog net iets unieker – de nonnen bidden dan wel een extra weesgegroetje bij elk bezoek van de Mechelaars, voor de meisjes betekent deze expeditie hun jaarlijkse kerstfeest, inclusief cadeautje van de Vlaamse peetouders.

Terwijl we aangespoord worden plaats te nemen in het met stoelen volgestouwde en somber ogende turnzaaltje, verschijnen de eerste meisjes op de voorgrond: na een verkleedpartijtje voeren ze naar jaarlijkse gewoonte, en bij wijze van dankbetoon, enkele ingestudeerde performances op voor Frans en co.

Uiteindelijk zijn we ruim een half uur later wanneer het eerste kind naar voren geroepen wordt om haar cadeau te ontvangen. Niet zonder trots springen de meisjes van hun stoel, waarna ze een luide dan wel schichtige dziękuję (dankuwel) uitstoten en voor de lens van Frans en Karel poseren. “Zo kunnen we de meters en peters thuis laten zien dat hun kind haar cadeautje heeft ontvangen”, verklaren ze. Terwijl de meeste meisjes zich alle moeite van de wereld getroosten om de geschenkverpakking niet meteen aan stukken te rijten, worden ook de zusters op een geschenkje verrast: een keukenrobot.

Als wederdienst voeren de kinderen mooi versierde kerstukjes en Poolse cake aan. Zelfs wij, overbodige journalisten, worden op dezelfde attenties bedacht. Jean, Roger en Mieke dansen tot groot jolijt van de handklappende meisjes en nonnen de hucklebuck. Terwijl de drie vrijwilligers en de kinderen hun gedeelde opwinding ventileren in uitbundigheid, overschouwen Frans, Karel en Jos het grote geluk met een kleine glimlach – ook achter een onopvallende lichaamsmimiek kan een immense voldoening schuilgaan.

Woensdag, 15u10 – Rondleiding

Zusters Antonina en Pauletta leiden ons rond in Specialny Osrodek Wychowawczy. Het tehuis – waar quasi de ganse inboedel van Belgische makelij is – heeft iets weg van een oud, Vlaams schoolgebouwtje. Op de benedenverdieping worden de jongste meisjes onderricht, samen met wat jongens van een naburige, soortgelijke instelling. In het ene klasje krijgen kindjes van een jaar of tien Duitse les, vlak daarnaast geraken 16-jarige kinderen niet verder dan het knutselen van poppetjes.

“De meeste meisjes hier hebben een IQ dat minder is dan gemiddeld”, legt Frans uit. “Maar je hebt hier ook weesjes zitten, meisjes die omwille van hun ouders hier door het gerecht geplaatst zijn, simpelweg sukkelaartjes.” De 10-jarige Marta tekent een huis, met zonnetje en wolkjes – mama zit in de psychiatrie, papa in de gevangenis. Haar buurmeisjes, Nadia (10), poseert met veel charme voor onze fotograaf – haar guitige blik en soepele attitude verraden dat ze niet thuishoort in een instelling voor meisjes met een beperking.

Van het schooltje gaat het naar de leefgroepen. Er zijn er vier, elk begeleid door één of twee zusters en een opvoedster. In de – eigenlijk te kleine – lokaaltjes zitten tussen de tien en vijftien meisjes, van alle leeftijden: het oudste meisje in het tehuis is 23, het jongste acht. Ze worden bij elkaar gezet opdat de oudsten mee voor de jongsten kunnen zorgen.

Terwijl de jongere kinderen in de instelling zelf les volgen, worden de meeste tieners naar de beroepsschool in de stad gestuurd. “Waar ze leren koken of naaien”, vertelt Frans. “Want het is ook de bedoeling dat ze klaar zijn voor de échte wereld. Nadat ze hun school afgemaakt hebben – ze zijn dan een jaar of 18, 20 – worden de meisjes immers verondersteld het tehuis te verlaten. Wat er met hen gebeurt? Meisjes die te zwaar gehandicapt zijn, komen in een andere instelling terecht. Anderen zijn klaar om op eigen benen te staan, vinden een job, een man. En sommigen, tja, lopen ondanks alle moeite van de nonnen toch nog verloren.”

Sommige meisjes gaan tijdens het weekend nog naar huis, naar oma’s en opa’s, of wat verdere familie. Anderen blijven zeven op zeven in de instelling. Hun slaapkamer moeten ze delen met één tot zelfs zeven lotgenootjes.

Donderdag, 7u35 – Vertrek

Na opnieuw een stevig ontbijt – de nonnen hebben ons vier dagen lang volgestouwd met een overvloed aan Pools eten – is het tijd om te vertrekken. “Nu kunnen we beginnen met de voorbereiding van ons transport in juni volgend jaar”, stelt Frans.

Aan het kleine zijdeurtje komen alle nonnen afscheid nemen: ze geven ons een picknick mee voor de lange terugrit, helpen nog één en ander inladen. Wanneer we de koffer dichtslaan, galmen zachte klanken. Op de smalle trap zingen de samengepakte meisjes ons met slaapoogjes ter afscheid. Ze zeggen niet vaarwel, maar pożegnanie.

Foto’s: Patrick Hattori
www.patrickhattori.be
www.stichtingfransdeprins.be

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s