Koerdistan (2) – Het kamp, de misère

In een verweerde moskee staren zeshonderd jonge mannen doelloos voor zich uit. Buiten het gebedshuis: honderden troosteloze tenten. In een vluchtelingenkamp in de Koerdische Autonome Regio leven tienduizenden Syrische Koerden in mensonwaardige omstandigheden.

Wanneer de huwelijkseuforie (zie Koerdistan (1) – Het huwelijk, de trip) voorbij is, durf ik Salar, die ik nu al élke dag gezien heb, vragen om me naar Domiz te rijden. Het dorpje ligt op een kwartier van Dohuk en herbergt een Syrisch vluchtelingenkamp. Vader Saleh probeert me tactvol op andere ideeën te brengen, m’n trouwe gids niet. Hij brengt ons naar het plaatselijke departement voor immigratie, om toestemming te vragen. ‘Geen probleem,’ klinkt het, in dit land het antwoord op zowat elke vraag.

Hoe verder we wegrijden van Dohuk, hoe desolater het landschap wordt. Salar lijkt het kamp niet meteen te vinden, tot in een verlaten dorpje de drukte out of the blue toeneemt: hoewel we de verharde wegen verlaten hebben, verschijnen er plots massa’s autootjes en voetgangers. In de verte doemen in het woestijnachtige decor beige-bruine tenten op, en ik verwacht prikkeldraad en poorten. Maar in de plaats daarvan zie ik een nutteloze, openstaande slagboom, en een agent die ons een beetje verward maar vriendelijk toelacht.

Een graad of 40, aanschuiven voor rijst en brood

Terwijl de nerveuze Saleh naar een barakje holt om toch nog maar eens verantwoording af te leggen, bots ik op een meterslange muur van mannen en kinderen – hun potten blinken, hun ogen zijn uitgeblust. Links en rechts hoor ik een ‘hello, my friend’, in de verte klinkt gebrom. Op een met brood volgestouwde pick-up maakt een man zich boos op enkele omstanders. Hij wil kalmte, zij eten.

Ik word overvallen door een hitte die ik niet verwacht had: ik vertoef al verschillende dagen in 35 graden, en toch voel ik de temperatuur hier toenemen – door het blakerende zand, door de dampende mensenmassa. Saleh, die ons opnieuw vervoegd heeft, wiebelt nerveus heen en weer. Dat ik snel een fotootje mag nemen, uiteraard, maar dat we dan toch wel weer weg zijn? Ik ben blij als een stem me onverwacht een tentje binnenroept – al is dat gevoel even snel weer verdwenen. Ik krijg een bekertje water van Mohammed en Ahmed, twee broers die elk met hun vier kinderen in het kamp verblijven.

Mohamed “We komen uit Damascus en zijn hier nu twintig dagen. Het was een tocht van twintig uur, in een klein autootje. Normaal doe je die afstand in tien uur, maar we moesten de gevechten ontwijken — wat zouden wij, gewone burgers, tegen pantservoertuigen en vliegtuigen kunnen? Onze ouders hebben we moeten achterlaten: de reis is te ver en te zwaar voor twee oude mensen.

“We hebben in dit kamp één matras en vier dekens gekregen. En hier zitten we dan, in de hitte. Het enige wat we kunnen doen: liggen en staren. En compleet radeloos aanschouwen hoe onze kinderen in deze tent en deze temperaturen levend verbranden. Alsof die ellende niet volstaat, heeft mijn dochtertje ook nog eens kanker in haar hoofd, trouwens.”

Mohamed en Ahmed (rechts), en de kinderen

Het is de reden waarom ze me binnengeroepen hebben – of ik hen niet kan helpen. Ik vraag hoelang ze er nog moeten zitten. Ze weten het niet. Ze willen er zelfs niet over nadenken.

Ahmed “Ik weet niet wat ik van onze toekomst moet verwachten: ik wil gewoon naar huis, maar momenteel is onze situatie hopeloos. We kunnen alleen afwachten: misschien zitten we hier nog één jaar, misschien vijf, misschien tien.”

Saleh maakt me duidelijk dat we moeten vertrekken, en voor het eerst tijdens deze reis spreek ik hem tegen – een hele opgave, aangezien de man eigenaar is van een peperkoeken hart. Hij probeert Salar en mij nog vijf minuten te volgen, en geeft dan verstek: hij schuifelt weg, roept een taxi op. Zijn eigen, vier jaar lange passage in zo’n vluchtelingenkamp is ruim twee decennia geleden, maar de wonden zijn duidelijk nog niet genezen. Hij wil niet toegeven dat het ‘m mentaal te zwaar wordt, maar zijn lichaamstaal laat hem in de steek.

Lunchen in Syrië

In één deel van het kamp blijken vooral gezinnen te verblijven, in het andere is er plaats voor alleenstaande mannen: in totaal ruim 13.000 mensen op een oppervlakte van 27.000 vierkante meter. In alle tenten slapen Koerden. ‘Andere Syriërs vluchten naar de andere buurlanden’, zegt Muhamad Abdulla Hamo, lid van de dienst immigratie en hoofdverantwoordelijke van het vluchtelingenkamp. Hij wil niet gezegd hebben dat andere Syriërs niet veel zin hebben in het kamp en er wellicht ook niet welkom zijn. Wat hij wil toegeven: dat het aantal vluchtelingen alleen maar toeneemt.

Muhamed “Er is een groot verloop in het kamp, maar sinds de opening in april hebben we al 23.000 mensen geregistreerd – allemaal Koerden, ja. We hebben twee miljoen dollar gespendeerd aan de uitbouw van het kamp, tegen het einde van het jaar willen we nog eens drie en een half miljoen spenderen. We werken samen met de VN Vluchtelingenorganisatie (UNHCR, red.), en we volgen de situatie dag per dag op.”

“In totaal zijn er zes kampen in deze regio, dat van Domiz is veruit het grootste. We schrijven momenteel aan een plan voor de toekomst. Door de grote toename van vluchtelingen kan de situatie snel heel problematisch worden. Het kamp gaat erop achteruit, we kunnen moeilijk volgen. We weten ook niet hoe de situatie in Syrië zal evolueren. Dat er niet snel beterschap komt, is duidelijk: het aantal doden door de oorlog neemt toe, de economische situatie wordt alleen maar dramatischer.”

Toch nog levensvreugde, ondanks alles

Dat de hulpverleners de situatie slechts met heel veel moeite kunnen volgen, merk ik ook ter plaatse. Verschillende mensen klampen me aan: dat ze geen elektriciteit hebben, dat ze al tien dagen niet meer gedoucht hebben, dat het eten slecht is en het water op geraakt. Nog een vraag die steeds terugkeert: waarom het westen verdomme niks doet? Ze zijn gelukkig dat de Koerdische Autonome Regio een helpende hand uitsteekt, en ook haar best doet – maar het reikt niet ver genoeg, zeggen ze.

In de jammerende mensenmassa ontmoet ik Adel en Diyer, twee jonge twintigers die me in degelijk Engels wat uitleg geven. Ze hebben geluk: in de stad hebben ze werk gevonden — Adel in een pizzeria, Diyer in de bouw.

Adel “Zo hebben we een tijdverdrijf, en een beetje geld. Alle anderen hier hebben niks.”

Ze vertellen beiden ongeveer hetzelfde verhaal. Ze zijn in de Koerdische Autonome Regio geraakt dankzij de Peshmerga (eigenlijk het huidige Koerdische leger, red.), die hen zonder enige voorwaarde de grens over liet.

Diyer “Assad is een dictator, eentje zoals Saddam ooit was. De enige oplossing: dat hij verdwijnt. Er is geen democratie, alles van waarde – van voedsel tot olie – gaat naar Assad en zijn clan. Ondertussen terroriseert hij de burgerbevolking. Volwassenen en kinderen: iedereen wordt afgemaakt. Onze situatie is niet anders dan die van de Iraakse Koerden onder Saddam.”

Diyer, die in Damascus politieke wetenschappen studeerde maar wegvluchtte omdat hij in het leger moest, heeft een scherp oog voor de brede context.

Diyer “We zijn een speelbal van de Verenigde Naties: het gaat veel verder dan Syrië en Assad, wij zijn ook afhankelijk van de Amerikanen, de Chinezen, de Turken en de Russen. De VS moet een leger sturen, zo simpel is het. Maar er gebeurt niets. En ondertussen doet Assad rustig voort.

“De situatie in dit vluchtelingenkamp is even tragisch als in Syrië. Maar hier ben ik tenminste veilig. In Syrië sneuvel ik sowieso: ofwel word ik afgemaakt, ofwel moet ik in het leger, waar ik evenzeer sterf. Zeker als Syrische Koerd zit niemand met mijn leven in. Een oplossing? Die is er niet. Een eerste stap is de dood van Assad. De dag dat hij sterft, eet ik mijn lunch in Syrië.”

Tactvolle genocide

Het schokt me dat er maar één barakje met medische zorg is, met maar één dokter. Alaa Hussein Shukur van Artsen Zonder Grenzen mag geen interviews geven zonder toestemming, maar geeft aan dat alles nog onder controle is.

Alaa Hussein Shukur “We hebben normale infecties en ziektes, er zijn klachten over traditionele blessures en schorpioenenbeten. Ik denk dat ik alles onder controle kan houden: voorlopig heb ik geen angst voor typische kampplagen als diarree. Het enige probleem is de aanvoer van medicatie. Maar het voordeel is: dit kamp wordt voornamelijk bevolkt door jonge, viriele mannen.”

Ik slenter voorts tussen de onoverzichtelijke rijen tenten. Jonge ventjes proberen links en rechts sigaretten aan de man te brengen, hier en daar staat een kraampje met frisdrank of koekjes. Ik passeer lemen, geurende kotjes die dienstdoen als toilet, een omstaander verbiedt me – wellicht voor m’n eigen goed – om een kijkje te nemen. Hij wijst me wel de weg naar de douche: achter vier gordijntjes drupt een verroest waterkraantje. Een beetje verderop kijk ik uit pure nieuwsgierigheid in een kleine put: een vrouw brengt me met gebarentaal excuses over – dat ze toch ergens haar gevoeg moet doen. Een paar kinderen vragen me om een foto te nemen, ik wil net als Saleh vluchten – meer nog dan de verzengende hitte heeft het verschrikkelijke decor me uitgeput.

Aan de moskee, omringd door de ‘militairen’, die hun verhaal willen doen

Op weg naar de uitgang denk ik echter nog even aan de woorden van één van de vele vluchtelingen: dat we toch eens in de moskee moeten gaan kijken. Daar worden Salar en ik meteen omringd door tientallen figuren, de geur van zweet neemt de bovenhand. Wanneer ik het trapje opwandel, bots ik op zeshonderd mannen die doelloos op de grond liggen – tastbaarder zal het woord miserie niet meer worden. Bij mijn intrede maken ze met wijs- en middenvinger het vredesteken.

‘Wij zijn de soldaten van het leger van Assad,’ zegt de 27-jarige Ahmed, die zich dankzij zijn talenkennis opwerpt als woordvoerder. Hij was een student Engels in Damascus, en mag nu een poging ondernemen om te overleven in Domiz.

Ahmed “Al de mannen die je hier ziet, moesten voor Assad dienen. Het Syrisch leger bestaat niet, het is het leger van Assad: in Syrië kunnen alle jongemannen zomaar van de straat geplukt worden. En wij, Koerden, worden volgens mij nog sneller uitgekozen. Net als, bijvoorbeeld, de christenen.

“Wij wíllen helemaal niet vechten, wij wíllen niemand doden. En net daarom worden we gerekruteerd. De mannen van Assad staan achteraan, wij worden de frontlinie in gestuurd. Een subtiele tactiek, natuurlijk: ofwel sneuvelen we in gevechten met medeburgers, ofwel keren we terug, en maakt de Assad-clan ons af. Jongemannen die al van in het begin weigeren met het leger mee te gaan, worden naar hun huis gebracht. Daar krijgen ze voor de ogen van hun familie de kogel, waarna die mensen hetzelfde lot wacht.”

Wanneer ik denk dat ik alles gehoord heb, slaagt Ahmed er toch nog in mijn mond wat wijder te doen openvallen: hij deelt doodleuk mee dat hij ’s anderdaags naar Syrië terugkeert.

 Ahmed “Omdat de situatie hier even rampzalig is. Kijk rond je: we hebben geen water, geen eten, niks. Het is hier verschrikkelijk.”

Dat dat evenzeer het geval is in Syrië, probeer ik nog.

Ahmed “Jawel, maar ik sterf liever in mijn eigen land dan hier.”

***

Wanneer ik ’s avonds weer in het huisje van de Binavi’s aankom, is er van Saleh geen spoor. De kinderen des huizes vragen me om hen naar Duhok Park te vergezellen. Het schijnt de place to be te zijn voor de plaatselijke jeugd, een plaats die het midden houdt tussen een pretparkje en een groot uitgevallen speeltuin. M’n nieuwe Facebookvrienden kopen blikjes Cola en pakjes chips, ze kruipen in de typische pretpark-schommelboot en een verroest reuzenrad. Ze giechelen en gibberen – dat het lang geleden is dat ze zich zo geamuseerd hebben.

Een fotoreportage uit Koerdistan vind je hier.
Deel één vind je hier.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s